Tijdens het duiken wordt de duiker blootgesteld aan omstandigheden waar de mens oorspronkelijk niet voor gebouwd is. Onder water is het niet mogelijk voor mensen om zuurstof op te nemen. Ook neemt de druk toe naarmate je dieper onder water gaat. Water heeft namelijk een grotere dichtheid dan lucht op zeeniveau (ρwater = 998 kgm-1, ρlucht = 1,29 kgm-1). Bij elke 10 meter die een duiker afdaalt, stijgt de druk met 1 atmosfeer (1 atmosfeer = 101 kPa = 1,01 bar). De druk op zeeniveau is 1 bar, dus 10 meter onder water stijgt de druk met 1 bar naar 2 bar, en op bijvoorbeeld 40 meter diepte is de druk 5 bar. Bij de eerste 10 meter, van 0 naar 10 meter diepte, is het drukverschil het grootst. Daarom moeten duikers vooral bij de eerste 10 meter zorgvuldig afdalen en opstijgen om duikerziektes te voorkomen. Er is een maximale daal- en stijgsnelheid vastgesteld van 10 meter per minuut. Dit omdat het lichaam zich aan moet passen aan de drukverschillen waaraan het wordt blootgesteld. Hiervoor is tijd nodig, als er te snel wordt afgedaald, kan bijvoorbeeld een longsqueeze ontstaan en als er te snel wordt opgestegen kunnen bijvoorbeeld de longen uit elkaar klappen.
De toenemende druk bij het afdalen is te verklaren aan de hand van een aantal natuurkundige wetten, namelijk de wetten van Boyle, Charles, Dalton en Henry. Deze wetten hebben te maken met druk, volume, temperatuur en de verdeling van verschillende gassen in de lucht.